Column

Dier en Dokter januari 2019

Regelmatig krijg ik Jack Russells op mijn spreekuur. Dit keer kwam er eentje op leeftijd binnen, die gebitsproblemen had. Er moesten een paar kiezen worden getrokken en daarvoor is het nodig dat het diertje onder narcose wordt gebracht. Mijn collega had daar al vakkundig voor gezorgd en ik wilde net aan mijn werk beginnen, toen ik nog eens goed naar het hondje keek en ineens uitriep: ‘Maar dat is het broertje van Mink!’

Mink was mijn oudste hondje, dat 12,5 jaar geleden bij ons kwam. En waar we helaas al na anderhalf jaar afscheid van moesten nemen, nadat hij was aangereden door een auto. Dat was wel een momentje: heel even zag ik mijn oude hondje daar terug, voor me op de behandeltafel.

De assistente keek me aan of ik gek was geworden, maar toen ik de kaart van het hondje controleerde, bleek er geen twijfel mogelijk: dit was echt de broer van Mink. Dat werd nog eens bevestigd toen zijn baasje hem later kwam ophalen: zij wist dat beide hondjes uit hetzelfde nest waren gekomen.

Toen baasje en hond weer vrolijk de praktijk verlieten, keek ik hen nog even na: zo zou Mink er nu dus uit hebben gezien. Die avond thuis gaf ik mijn eigen beestenbende nog maar eens extra aai. En een portie gebitsvriendelijke brokken.

 handtekening-bas